Yours truly, the Storyteller

Deel II De oversteek

De beige rotsblokken van het ravijn steken uit en vormen een mooi rond plateau. Aan de overkant loopt het bos verder. Hoge boomtoppen mengen zich tot een groene overkapping met daaronder een wirwar aan weggetjes. Tientallen dode boomstammen waarin Eea’s schat verborgen kan zijn. Links van hen zigzagt er een paadje langs het ravijn, rechts een hoog, bruin rotsblok waar Wom niet overheen kan kijken. Hij geeft een harde dreun tegen het middelste blok, maar het blok geeft niet mee. Eea en Wom moeten wijken voor vallende stenen. Ze besluiten het pad langs het ravijn te volgen, op zoek naar een oversteek.


‘Eea, denk je dat we ooit het poeder zullen vinden?’ Wom kijkt achterom en wacht, totdat zijn beste vriend is bijgelopen.
‘Het moet, Wom. Het moet.’ Hijgend komt Eea dichterbij. Met zijn linkerhand klopt hij zachtjes op het been van zijn vriend die vervolgens zijn hand naar beneden laat dalen om Eea op te pakken.
‘Rust maar even uit.’ De stem van Wom klinkt warm en vriendelijk. Het paadje zigzagt langs het ravijn en Wom moet uitkijken niet van de rand af te glijden. Voor de zekerheid stapt hij wat meer in de struiken naast het paadje, voorzichtig uitkijkend geen bomen en planten te pletten. Een brede, horizontale tak verspert zijn zicht; Wom duwt hem opzij. In de verte ziet hij een oversteek.
‘Kijk, Eea! Zie je dat?’
‘Een hangbrug! We zijn gered, we kunnen verder!’ Eea klaart op bij het zien van de oversteek. Het zigzagpaadje leidt hen naar de hangbrug. Hij is zeker zo’n twintig meter lang en erg gammel. Daar kan Wom niet overheen. Eea bekijkt de brug.
‘We moeten er overheen. Het is de enige manier. Ik ga wel eerst.’
‘Goed plan.’ Wom ziet hoe zijn beste vriend voorzichtig de eerste stappen zet op de gammele, houten vlonders. Aan weerskanten is een lang touw gespannen met af en toe een verticale balk die verbonden is met de vlonders. De touwen zijn aan beide kanten van het ravijn vastgebonden en in de grond geslagen met een tien centimeter dikke spijker.

Eea loopt behendig over de gammele brug en bereikt veilig de overkant. Behoedzaam zet Wom een stap op de houten balken en laat zijn volle gewicht zakken op de hangbrug. Hij voelt de balken onder zijn voeten breken en met een harde kraak barst zijn rechtervoet door de houten vlonders heen. Vluchtig trekt Wom zijn been terug. Voor hem barst de brug in het midden open tot aan de overkant. De touwen aan de kant van Wom schieten los. De twee losse delen van de brug slingeren naar beneden en slaan tegen de rotsen aan de overkant.
‘Eea! Is alles in orde?’ schreeuwt Wom naar de overkant, uitkijkend naar zijn beste vriend die zichzelf op de grond laat vallen voor de harde klap van de brug.
‘Wom! Wat doen we nu?’ Eea maakt een koker om zijn mond met zijn handen. ‘Hoe kom je nu naar de overkant?’ Met zijn logge voeten boort Wom twee gaten in de aarde. Zijn benen vormen samen nu één stam. Wom wappert zijn armen op en neer tot de takken weer tevoorschijn komen en schudt zijn hoofd om zijn bladeren weer te zien. Als hij zijn eigen gedaante weer heeft aangenomen, maakt hij zich los van de aarde en laat hij zich vallen over het ravijn. Zijn top bereikt de overkant, zodat zijn lichaam nu een nieuwe oversteek maakt.
‘Wom, wat goed! En nu, hoe kom je hierop?’ Eea kijkt vol verbazing naar de boomstam die over het ravijn hangt. Met zijn takken in de top trekt Wom zich op aan de bomen die voor hem staan. Al schuivend komt hij op de rotsen, totdat ook zijn wortels de overkant bereiken. Eea bekijkt het spektakel met grote ogen. Langzaam komt het grote gevaarte overeind en verandert in zijn beste vriend.
‘Zo, dat hebben we ook weer gehad. Laten we verder gaan.’ Wom wijst een kant uit.

Eea en Wom gaan weer verder door het bos. Bij elke dode boomstam controleren ze op verstopt, magisch poeder, maar alles is tevergeefs. Bij een lichtblauw vennetje rusten ze uit van drie dagen zoeken. Als de nacht valt, neemt Wom zijn plaats in tussen de andere bomen. Eea zit achter een grijze rots en heeft de eerste wacht. De nacht is koel. Heldere sterren staan aan de lucht en vormen samen verschillende figuren. Eea probeert de lijnen te volgen met zijn vinger, elk figuurtje een naam gevend.
‘Dat is de Grote Beer.’ Van achter de rots klinkt het schrille stemmetje. Eea schrikt op.
‘Wie is daar? Toon uzelf.’
‘Wees niet bang. Ik ben een oude vriend van Wom.’ De verschijning komt achter de rots vandaan. De kleine man heeft groene bladeren om zich heen geslagen en een mantel ervan gemaakt. Zijn gezicht ziet er oud en vermoeid uit, een lange baard siert zijn kin. Met zijn lange, magere vingers reikt hij naar de plek waar Wom verborgen staat.
‘Verrek, Heemu! Doe dat niet!’ Met een schok komt Wom tevoorschijn, zijn wortels en takken vervangend door ledematen. Eea maakt een sprongetje omhoog.
‘Hela! Wat gebeurt er nu, Wom?’ Hij ziet hoe de oude vrienden elkaar de hand schudden.
‘Eea, ik wil je graag voorstellen aan mijn oude vriend, Heemu.’ Wom wijst naar de kleine man die zijn mantel van bladeren wijd spreidt om een formele buiging te maken. Een grijns staat op zijn gezicht. Als hij weer overeind staat, gebaart hij Eea en Wom dichterbij te komen.
‘Luister, Wom. Ik weet waar jullie naar op zoek zijn.’ Eea kijkt de man geschrokken aan.
‘Hoe weet u dit?’ De kleine man geeft geen antwoord en gaat verder met zijn verhaal.
‘Dit magisch poeder zul je vinden in een grot. De plek is verstopt achter een eikenboom met een klein, houten hutje ernaast. Dat moet je zoeken.’ Wom kijkt vragend naar Eea. Ze hebben de plek gevonden, de plek waar ze zolang naar hebben gezocht.
‘Heemu, beste vriend! Bedankt voor het helpen!’ Wom klopt Heemu op de rug, ervoor zorgend dat hij bijna voorover valt. Heemu kijkt het duo glunderend aan.
‘Ik ben blij jullie van dienst te kunnen zijn, beste heren. Ik doe immers alles voor mijn vrienden.’ Een paar lange vingers tikken zachtjes op een grijze rots en Heemu lost in het niets op. Eea en Wom blijven verbaasd achter.

De volgende dag maken ze zich gereed voor de zoektocht naar de grot. Het stuk touw en de bijl stopt Eea weer terug in de juten zak en slingert deze over zijn schouder. Snel en langzaam bewegen ze door het bos, totdat zij bij de grot met het houten hutje uitkomen. Eea kijkt Wom even aan.
‘Hier is het, Wom. Dit is de plek.’ Wom bukt zich naar voren en geeft een klopje op de grot. Uit de grot klinkt een oorverdovend harde kreet die de grond onder hun voeten doet beven.

 

Lees hier Deel I.
Deel deze blogpost op social media:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *